vrijdag 1 juli 2016

'Nou, schiet maar.'

John Jansen van Galen gaat in het tiende hoofdstuk van De gouden jaren van het linkse levensgevoel in op de affaire rond Friedrich Weinreb, de econoom die in de jaren zestig en zeventig in progressieve kringen aanhang verwerft omdat hij tijdens de Duitse bezetting op eigen houtje veel Joden het leven zou hebben gered. VN-columniste Renate Rubinstein is een groot pleitbezorgster van Weinreb en gebruikt haar podium in VN om mensen die kritisch zijn over Weinreb te bestrijden. Er volgt een jarenlange polemiek in dag- en weekbladen en na een uitvoerig onderzoek door het Riod wordt in 1976 vastgesteld dat Weinreb geen verzetsheld is, maar intensief met de Duitsers heeft samengewerkt. Verontschuldigingen heeft Vrij Nederland nooit gemaakt.

Jansen van Galen vat de zaak kort voor zijn lezers samen. Henriette Boas wordt instemmend geciteerd, maar er wordt nergens vermeld dat zij een belangrijke rol speelt in de polemiek. Onjuist is de mededeling dat journalist Hans Knoop het lang voor Weinreb heeft opgenomen: Knoop publiceerde al in het voorjaar van 1968 een kritisch artikel over Weinreb in De Telegraaf en was dus alles behalve een aanhanger.

Jansen van Galen concentreert zich vooral op de polemiek die in de jaren zestig en zeventig gevoerd is. Hij blikt met redacteur Igor Cornelissen terug op de affaire en die is niet trots op zijn aandeel daarin: ‘Het is een smet op mijn blazoen.’ Net als in zijn boek Raamgracht 4 vertelt Cornelissen dat hij na het verschijnen van het Riod-onderzoek een artikel in Vrij Nederland publiceert over een verraadzaak in de Haagse Reinkenstraat en dat moet worden vastgesteld dat Weinreb dat verraad niet gepleegd kan hebben. ‘De onderzoekers gaven Weinreb weinig tot geen kans. Kritische zin maakte plaats voor vijandschap,’ zegt hij tegen Jansen van Galen. Dat de onderzoekers naar aanleiding van zijn artikel de zaak nog een keer bekijken en van zijn conclusies niets heel laten, vertelt Cornelissen (net als in Raamgracht 4) niet.

Verdienstelijk aan Jansen van Galens boek is dat duidelijk wordt gemaakt dat de meningen over Weinreb bij Vrij Nederland verdeeld zijn geweest. Omdat Weinreb-verdedigster Renate Rubinstein alle ruimte heeft en niet wordt tegengesproken, krijgt de buitenwereld het idee dat VN een Weinreb-bode is. Binnenskamers krijgt hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse echter kritiek. Redacteur Gerard Mulder herinnert zich: ‘Op een redactievergadering is eindredacteur Frans Peeters fel van leer getrokken tegen die houding. Er kwam geen enkele reactie, maar toen we na afloop met z’n allen naar café De Engelbewaarder gingen en Ferdinandusse zich bij ons voegde, maakte hij theatraal de bovenste knoopjes van zijn overhemd los en zei: ‘Nou, schiet maar’.’

Dit is een fragment van een bespreking die verscheen op mijn weblog Een lezer schrijft.

woensdag 16 maart 2016

Een avond in Delft

In het februarinummer van Hollands Maandblad verscheen een artikel van Charlotte Goulmy over Hans Goedkoop die werkt aan een biografie van Renate Rubinstein. Goulmy vertelt in het artikel dat ze tijdens haar studie het plan had opgevat om op Renate Rubinstein te promoveren. In 1994 verzocht ze de erven Rubinstein om toegang te krijgen tot Renates nalatenschap. Dit verzoek werd afgewezen omdat Hans Goedkoop al was aangezocht om een biografie van Rubinstein te schrijven. Inmiddels is het tweeëntwintig jaar later en is Goedkoops biografie nog altijd niet verschenen. 

Goulmy wijst in haar artikel op Goedkoops in 2015 verschenen boekje Iedereen was er. Ik heb over dit boekje al eerder geschreven. Interessant is dat het artikel van Goulmy nagenoeg dezelfde titel heeft als mijn stuk en dat zij, net als Hans Goedkoop overigens, de emigratiezwendel van Friedrich Weinreb niet helemaal juist dateert. Het is Goulmy inmiddels ‘indirect’ duidelijk gemaakt dat ze nooit toestemming zal krijgen om de nalatenschap te bestuderen. Om het probleem van de onvoltooide biografie eindelijk op te lossen, stelt ze voor dat Hans Goedkoop zich terugtrekt en dat iemand anders het werk overneemt.  

Gisteravond was ik in Delft waar Hans Goedkoop in de Waalse Kerk een lezing gaf over Renate Rubinstein. Hij ging daarbij in op de kwestie van het uitblijven van de biografie. Hij vertelde dat er al verschillende keren meewarige opmerkingen over zijn gemaakt. Ook zijn vrienden beginnen er nog wel eens over. Goedkoop vertelde dat hij bij het schrijven van zijn in 1996 verschenen biografie van Herman Heijermans op een gegeven moment in Heijermans’ leven een lijn zag die begon in de jeugd en doorliep tot de dood. Die lijn zorgde ervoor dat Goedkoop deze biografie sneller heeft kunnen voltooien dan die van Renate Rubinstein omdat zo’n duidelijke lijn bij haar ontbreekt: haar leven is vanaf haar jeugd een aaneenschakeling van losse aanzetten. Renate kon haar draai niet vinden en was zich daarvan bewust. 

Volgens Goedkoop werd pas midden jaren zeventig helder wie Renate eigenlijk was en waar ze toe in staat was. Hij hield zelfs rekening met het feit dat Renate op de avond die in Iedereen was er wordt beschreven, voor het eerst zelf de lijn in haar leven zag. ‘Kan ik u dat aandoen?’ vroeg Goedkoop aan het publiek in Delft. ‘Welke lezer brengt daar het geduld voor op?’ Goedkoop vertelde nog steeds op zoek te zijn naar een vorm om de lezer bij de les te houden, terwijl nog niet duidelijk is welke les dat is. 

Opvallend was dat Goedkoop tot twee keer toe vertelde dat hij al zo’n vijftien jaar aan de biografie werkt, terwijl hij de opdracht al in 1993 kreeg. Blijkbaar is de nalatenschap een kleine tien jaar onaangeroerd gebleven. Verder was het interessant dat Goedkoop opmerkte dat de erven niet wilden dat iedereen zo maar in het ongeordende archief kon kijken. Charlotte Goulmy beweert in haar artikel dat Renates nalatenschap juist overzichtelijk is gerangschikt.
 
Na afloop van de lezing vroeg ik Hans Goedkoop wat hij vond van het artikel in Hollands Maandblad. Hij reageerde verbaasd en zei niets van het artikel te weten. Het was kennelijk niet aan hem doorgegeven. Ik liet hem het nummer van Hollands Maandblad zien, hij keek het artikel met belangstelling even door, gaf het aan mij terug en zei dat hij zou proberen om zelf een exemplaar in handen te krijgen. Hoewel Goedkoop in Delft duidelijk aangaf waar de moeilijkheden in zijn werk liggen, maakte hij als biograaf een zelfverzekerde indruk. Het lijkt me dan ook niet waarschijnlijk dat hij de opdracht om de biografie van Renate Rubinstein te schrijven uit handen zal geven.

maandag 9 november 2015

Geen feest voor Renate Rubinstein

Historicus Hans Goedkoop heeft een boekje gepubliceerd met de titel Iedereen was er. Feest voor Renate Rubinstein. Het boekje is volgens Goedkoop ‘een vrije oefening, geschreven naast het werk in wording van Renate Rubinsteins biografie’. De tekst is gebaseerd op een teruggevonden geluidsopname van Renate Rubinsteins verjaardagsfeest in 1979. De lezer kan de opname beluisteren op een compact disc die bij de uitgave is gevoegd.

In de eerste paragraaf van het boekje worden de aanwezigen op het feest vermeld. Voor wie zich interesseert voor de zaak Friedrich Weinreb, is het een interessante lijst. Een van de aanwezigen was Huib Drion en die stond in het Weinreb-debat tegenover Renate Rubinstein. Dat geldt ook voor Rudy Kousbroek, die vanwege zijn verhuizing naar Parijs niet aanwezig was, maar wel was uitgenodigd. Ook hij werd eerder door Rubinstein aangevallen omdat hij zijn aanvankelijke sympathie voor Weinreb inruilde voor kritiek. De lezer zou graag willen weten hoe dit de persoonlijke verhoudingen tussen Rubinstein en haar vrienden heeft gekleurd, maar helaas licht Hans Goedkoop dit niet toe.

Goedkoop besteedt slechts enkele bladzijden aan de zaak Weinreb. Volgens hem is het ‘onmiskenbaar waar’ dat het Weinreb-rapport van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in toon en strekking ‘meer aanklager dan rechter’ is. Waar hij deze uitspraak op baseert, maakt hij niet duidelijk. Wie het rapport leest, zal vaststellen dat het eerder concluderend is dan suggererend. 

Goedkoop doet het voorkomen alsof Nuis en Rubinstein na de verschijning van het rapport alleen stonden in hun steun voor Weinreb. Personen die Weinreb aanvankelijk hadden verdedigd, begonnen hem na de publicatie van het rapport te veroordelen. Dit is een eenzijdige en onvolledige voorstelling van zaken, want de reacties onder de Weinreb-aanhangers waren juist zeer gemengd. Er werd gezwegen en er werd toegegeven, zij het soms jaren later. Iemand als Joop Goudsblom blijft echter tot op de dag van vandaag het Weinreb-rapport in twijfel trekken en Philo Bregstein en Dick Houwaart nemen wat Weinreb betreft nog steeds een halfslachtige positie in. Ik heb daar al over bericht in mijn studie Onder een massa schijn bedolven. Daarin komen bovendien ook de Weinreb-verdedigers aan de orde die pas na de publicatie van het rapport zijn opgestaan. Het verdedigen van Weinreb is na 1976 beslist geen taboe geworden, zoals Goedkoop lijkt te veronderstellen.

Weinig zicht heeft Goedkoop op het effect van de Weinreb-affaire op de reputatie van Nuis en Rubinstein. Hij blijkt de invloed van de jarenlange polemiek die ‘de beul’ Willem Frederik Hermans tegen Nuis en Rubinstein voerde sterk te overschatten. In zijn in 2004 verschenen autobiografie Op zoek naar Nederland laat Nuis zich nogal laconiek uit over de schade die hij door de Weinreb-affaire heeft opgelopen. Gezien zijn loopbaan een terechte constatering: Nuis bracht het uiteindelijk tot staatssecretaris. Ook de reputatie van Renate Rubinstein heeft na de publicatie van het Weinreb-rapport weinig schade geleden: haar lezerskring bleef groeien, ze ontving prijzen en werd door de Rijksvoorlichtingsdienst gevraagd om een boek te schrijven over kroonprins Willem-Alexander. 

Goedkoop filosofeert liever een paar bladzijden bij elkaar over de plaats van hoop en waarheid in het denken van Renate Rubinstein, dan dat hij stilstaat bij de veronderstelling dat Nuis en Rubinstein het niet konden opbrengen om publiekelijk toe te geven dat ze fout zaten inzake Weinreb. Toch is het zeker in het geval van Rubinstein een serieus te nemen mogelijkheid. In de kleine biografie van Rubinstein die Paul Damen in 1993 publiceerde komt Rubinstein naar voren als een extreem eigenwijze vrouw die eens gemaakte vergissingen niet kon toegeven, ook niet tegenover mensen in haar persoonlijke omgeving. Als Rubinstein al geen verontschuldigingen kon maken aan mensen die ze regelmatig in levende lijve zag, hoe groot moet dan het effect zijn geweest van de terechtwijzingen die W.F. Hermans in weekbladen op haar afvuurde? 

Het wordt uit Goedkoops behandeling van de affaire trouwens niet eens duidelijk waarom W.F. Hermans zo’n vurig tegenstander van Renate Rubinstein was. Goedkoop vermeldt ook niet waarom Weinrebs boek Collaboratie en verzet veel weerstand opriep. Voor Hermans was de kern van de zaak dat het mede door Rubinstein en Nuis gepubliceerde boek volstond met beschuldigingen en belededingen aan het adres van volstrekt onschuldige mensen (zowel Joden als niet-Joden) en dat ook na de verschijning van het rapport verontschuldigingen aan de gedupeerden uitbleven. De lezer zal het in Iedereen was er niet kunnen vinden.  

Pijnlijk wordt het wanneer Goedkoop over Weinreb schrijft: ‘Toen hij zijn lijsten eind ’41 begon dacht menigeen dat Hitler zijn hand overspeeld had en de oorlog snel voorbij zou zijn. Elke dag uitstel van deportatie was er een, voor een vervolgde was elke strohalm winst.’ Toen Weinreb eind 1941 met zijn lijst begon, waren er nog geen deportaties geweest. Dit feit is altijd een van de cruciale zaken geweest in de Weinreb-affaire omdat Weinreb in zijn memoires beweerde dat hij pas in 1942, toen Joden de eerste oproepen voor werkkampen ontvingen, met zijn lijst was begonnen. De auteurs van het Weinreb-rapport deinsden er dan ook niet voor terug om te beweren dat Weinreb zijn eerste lijst niet was begonnen om Joden te redden, maar om zijn behoeften aan macht, geld en seksuele lust te bevredigen. Dat we hier bij Hans Goedkoop bijna niets over lezen, is opmerkelijk . Dat hij als historicus echter niet weet wanneer de deportaties van Joden uit bezet Nederland zijn begonnen, is ronduit schokkend.

Ook op de bijgevoegde cd maakt Hans Goedkoop, die als sinds 1993 (!) aan zijn biografie van Renate Rubinstein werkt, een onbegrijpelijke fout. In de inleiding bij de toespraak van Norbert Elias beweert hij dat Rubinstein Joods was. Dat was zij niet, want zij had alleen een Joodse vader. Het is tekenend voor de kwaliteit van Iedereen was er. Alleen al de luttele pagina’s die Goedkoop aan de zaak Weinreb besteedt, bevatten omissies, ongefundeerde beweringen en een pijnlijke fout. Het boekje is geen feest voor Renate Rubinstein en het doet het ergste vermoeden voor haar toekomstige biografie.

Hans Goedkoop
Iedereen was er. Feest voor Renate Rubinstein

95 pagina's
Atlas Contact 2015

maandag 2 november 2015

Wat is waarheid?

Afgelopen donderdag promoveerde Maarten Asscher tot doctor in de Geesteswetenschappen aan de Universiteit Leiden. Zijn dissertatie Het uur der waarheid. Over de gevangenschap als literaire ervaring is verschenen bij uitgeverij Atlas Contact. In zijn studie wil Asscher proberen na te gaan wat de literatuur ons leert als het gaat om de gevangeniservaring. Daartoe behandelt hij literaire werken van schrijvers die zelf in de gevangenis hebben gezeten en hij vergelijkt die met teksten van schrijvers die de gevangeniservaring als stof voor hun verbeelding hebben gekozen. Asscher hecht groot belang aan waarheidsvinding: het woord waarheid komt dan ook voor in alle hoofdstuktitels van Het uur der waarheid. Hij besteedt veel aandacht aan de ontstaans- en publicatiegeschiedenis van de teksten die hij behandelt en hij verwijst naar een grote hoeveelheid secundaire literatuur om te achterhalen in hoeverre de beschreven gevangeniservaringen overtuigen. 

Een schrijver die Asscher niet noemt in zijn studie is Friedrich Weinreb. Dat is wellicht het geval omdat Asscher zich concentreert op de periode tussen het einde van de achttiende eeuw en 1945. Weinreb publiceert pas tegen het eind van de jaren zestig zijn herinneringen aan zijn perioden van gevangenschap, die echter wel vallen in de jaren veertig. Weinreb heeft in vier hoedanigheden een tijd in de gevangenis doorgebracht: als arrestant en als celspion tijdens de Duitse bezetting en na de bevrijding in voorarrest en als veroordeelde. In 1969 publiceert hij bij uitgeverij Meulenhoff zijn herinneringen aan de bezetting onder de titel Collaboratie en verzet. Weinreb presenteert zich in zijn boek als een verzetsman die vele Joden tijdens de bezetting weet te redden. Hoewel het boek aanvankelijk lovend wordt ontvangen, is er ook kritiek, vooral van personen die zich aangetast voelen door wat Weinreb over hen schrijft. In de pers ontwikkelt zich een jarenlange strijd tussen voor- en tegenstanders van Weinreb. Uiteindelijk publiceert het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in 1976 een rapport waaruit blijkt dat Weinreb zich tijdens de bezetting nog ernstiger heeft misdragen dan de Nederlandse justitie na de oorlog heeft kunnen vaststellen en dat Collaboratie en verzet voor het grootste deel uit leugens, fantasieën en verdachtmakingen bestaat.

Het lezen van Collaboratie en verzet en het Weinreb-rapport is een fascinerende ervaring. 'Wie na de memoires van Weinreb het Weinreb-rapport ter hand neemt, stapt binnen in een andere wereld met dezelfde personages,' heeft Weinreb-verdediger Aad Nuis geschreven. Om de waarachtigheid van Weinrebs boek te toetsen, vergelijken de auteurs van het rapport Collaboratie en verzet met Weinrebs verklaringen uit de tijd van zijn gevangenschap. Daarnaast worden Weinrebs uitspraken vergeleken met documenten uit de bezettingsjaren en wordt er veel geciteerd uit vraaggesprekken die de auteurs van het rapport met betrokkenen hebben gevoerd. De lezer krijgt daardoor de gelegenheid om Weinrebs handel en wandel van dag tot dag te volgen en is getuige van een geslaagde poging tot waarheidsvinding. Willem Otterspeer stelt in zijn eerder dit jaar verschenen biografie van Weinreb-bestrijder W.F. Hermans dan ook dat het Weinreb-rapport aantoont dat de werkelijkheid, anders dan Hermans oorspronkelijk meent, kenbaar is. Collaboratie en verzet zou zeker geschikt zijn geweest om als onderwerp te dienen voor de vragen die Maarten Asscher in zijn dissertatie stelt, maar zoals al eerder is opgemerkt: het boek komt in Het uur der waarheid niet voor.

Friedrich Weinreb is voor Maarten Asscher overigens alles behalve een onbekende. Ik heb daar al op gewezen in de laatste paragraaf van mijn studie Onder een massa schijn bedolven. In 1989, dertien jaar na de publicatie van het voor Weinreb vernietigende rapport van het Rijksinstituut, brengt uitgeverij Meulenhoff Weinrebs boek De gevangenis uit. Het boek kan worden gezien als het vervolg op Collaboratie en verzet. Weinreb beschrijft erin wat hem tijdens zijn naoorlogse detentie is overkomen. Ook geeft hij zijn mening over het Weinreb-rapport, waarbij hij niet ingaat op de inhoud van het onderzoek, maar wel de auteurs ervan in een kwaad daglicht probeert te stellen. Ook herhaalt hij verschillende onterechte beschuldigingen die hij eerder in Collaboratie en verzet heeft gedaan. In de flaptekst suggereert Weinrebs uitgever dat Weinreb het slachtoffer is geworden van een hetze. 

De uitgave van De gevangenis wordt in de pers uiteraard kritisch begroet, maar Maarten Asscher, die dan werkzaam is bij Meulenhoff (tevens uitgever van Weinreb-verdedigers als Aad Nuis en Renate Rubinstein), verdedigt de uitgave omdat hij het een interessant geschrift vindt waarvan de publieke beschikbaarheid gerechtvaardigd of zelfs geboden is. Hij vindt het blijkbaar niet nodig om aan Weinrebs uitlatingen enig commentaar toe te voegen. Ook vindt hij het geoorloofd om dertien jaar na de publicatie van het Weinreb-rapport een boek uit te geven waarin dat rapport zonder gedegen argumentatie wordt bekritiseerd. Blijkbaar heeft Asscher er geen enkele moeite mee om de waarheid geweld aan te doen wanneer zakelijke en collegiale belangen moeten worden gediend. Maar ach, wat is waarheid in kringen van Weinreb-propagandisten?

Maarten Asscher
Het uur der waarheid. Over de gevangenschap als literaire ervaring
384 pagina’s
Atlas Contact 2015

woensdag 4 maart 2015

Weinreb en de zanger van de wrok

Vorige week verscheen het tweede deel van de biografie van Willem Frederik Hermans door Willem Otterspeer. De titel van het boek is De zanger van de wrok en behandelt de jaren 1953-1995. Het is hier niet de plaats om te oordelen over het volledige boek. Ik zal mij enkel uitlaten over wat Otterspeer schrijft over de zaak Friedrich Weinreb. 

In mijn studie Onder een massa schijn bedolven heb ik gewezen op een vraag die in het verleden door verschillende personen is gesteld, maar bij mijn weten nooit werd beantwoord:  als Willem Frederik Hermans beweerde dat de werkelijkheid onkenbaar was, waarom probeerde hij in de zaak Weinreb dan te bewijzen dat zijn tegenstanders ongelijk hadden? Willem Otterspeer houdt zich ook met deze vraag bezig en komt met een opzienbarend antwoord. Hermans ontdekte door het historisch onderzoek naar Weinreb dat de werkelijkheid wél kenbaar was. Dat raakte natuurlijk de kern van zijn schrijverschap. Otterspeer schrijft: ‘De oorlog, die archetypische chaos, werd opeens helder als glas, goed kon opeens van kwaad gescheiden worden. Opeens kon er wel iets over de mens bewezen worden. Het historische gelijk ontmantelde het mythologische.’

Wat de feiten betreft, lijkt alles wat Otterspeer in zijn boek over Weinreb beweert, juist te zijn. De beknopte verteltrant die hij hanteert, maken de twee hoofdstukken die hij aan de zaak Weinreb besteedt, vlot leesbaar. Daar staat tegenover dat er niet veel ruimte is voor sfeer en achtergronden. Dat wordt vooral duidelijk in de passages waarin hij het succes van Weinreb bij progressief Nederland behandelt. Voor Hermans was het ongerijmd dat een groot deel van de Nederlandse pers in Weinreb had geloofd. Otterspeer maakt niet duidelijk hoe groot dit deel was. Regina Grüter heeft in haar dissertatie over Weinreb Een fantast schrijft geschiedenis uit 1997 uiteengezet welke auteurs en bladen het voor Weinreb opnamen en welke hem bestreden. Het zou een kleine moeite zijn geweest om dit in kort bestek voor de lezer weer te geven. Daardoor oogt Otterspeers beeld van deze jarenlange publicitaire oorlog een beetje flets.    

De belangrijkste tegenstanders van Hermans in de zaak Weinreb waren Renate Rubinstein en Aad Nuis. Rubinstein wordt door Otterspeer nog kort geïntroduceerd, maar het blijft vaag welke culturele en maatschappelijke positie Aad Nuis precies innam ten tijde van de affaire. Nuis publiceerde in 2004 een autobiografie die Otterspeer blijkbaar niet heeft geraadpleegd. Op bladzijde 708 komt vanuit het niets de naam van Abel Herzberg uit de lucht vallen. Otterspeer noemt die naam slechts één keer en maakt daarom niet duidelijk welke rol Herzberg in het debat heeft gespeeld.

Enigszins pijnlijk wordt het wanneer Otterspeer de dichter Rein Bloem vermeldt als hij de juryleden opnoemt die Weinrebs leugenachtige memoires voordroegen voor een belangrijke literaire prijs. Bloem stemde als jurylid namelijk tegen deze voordracht. Elders in Otterspeers boek lezen we dan dat Bloem in 1993 een interview maakte met W.F. Hermans. Dat is verwarrend, omdat het niet aannemelijk lijkt dat Hermans zich zou laten ondervragen door iemand die in het verleden een literaire prijs aan Weinreb heeft willen toekennen.

Opmerkelijk is het dat Otterspeer nergens vermeldt dat ook Harry Mulisch grote sympathie had voor Weinreb. Mulisch zag in Weinreb een ‘Che Guevara van de bureaucratie’. Hij riep in de roerige jaren zestig op tot een bureaucratische guerrilla in de geest van Weinreb tegen ambtenaren en gezagsdragers. Hij zocht Weinreb op, publiceerde over hem en vond het een grof schandaal dat Weinreb een belangrijke literaire prijs werd geweigerd en hij stelde daarom voor om een alternatieve prijs aan Weinreb toe te kennen. Weinreb was dus weer zo’n typisch onderwerp waarover Hermans en Mulisch elkaar in de haren konden vliegen. Otterspeer, die zelfs een heel hoofdstuk wijdt aan de animositeit tussen Hermans en Mulisch, zegt er niets over en dat is toch wel vreemd voor een biograaf die beweert dat het onderwerp Weinreb het wereldbeeld van Hermans uiteindelijk ontmantelde.
 
Samenvattend kan gezegd worden dat De zanger van de wrok een correct overzicht biedt van de rol van Willem Frederik Hermans in de zaak Friedrich Weinreb, al zou met enkele aanpassingen en toevoegingen het beeld van deze nog altijd boeiende kwestie vollediger en kleuriger zijn geweest.

woensdag 24 december 2014

Dick maakt zich dik

Dick Houwaart is inmiddels zevenentachtig jaar oud en kan terugzien op een vruchtbaar leven: hij maakte naam als journalist en was tevens werkzaam als ambtenaar. Ook publiceerde hij een groot aantal boeken. Tegenwoordig is Houwaart vooral op internet actief. Hij is te vinden op Facebook en Twitter en hij verzorgt een rubriek op de website VrijZicht Magazine. Uit zijn bijdragen blijkt dat Houwaart nog steeds een grote belangstelling heeft voor bestuur en journalistiek.

Gisteren oordeelde de Amsterdamse kantonrechter dat de hoofdredactie van dagblad Trouw vorige maand het recht had om verslaggever Perdiep Ramesar op staande voet te ontslaan. De journalist werd ontslagen nadat ontdekt werd dat hij de afgelopen jaren in zijn berichten mensen als bron opvoerde, die niet bleken te bestaan. Ramesar had zijn ontslag aangevochten.

In zijn bijdrage van gisteren windt Dick Houwaart zich nogal op over deze zaak. Volgens hem heeft Ramesars fraude veel meer schade aangericht dan alleen bij Trouw: “De hele journalistiek, die toch al niet erg hoog staat aangeschreven, heeft een enorme schade opgelopen. En, voeg ik er maar aan toe, ook de radio- en televisierubrieken, die de man zonder aarzelen uitnodigden voor zijn fantasieverhalen. Ook zij hebben gefaald door zijn antecedenten niet na te gaan. Bovendien scheelde het maar een haar of de fraudeur zou een verhaal hebben afgestoken voor Kamerleden in de Nieuwspoortlezing. Je moet er toch niet aan denken. Dit soort bedriegers kunnen ontzettend veel onheil aanrichten.”

Bovenstaande vermaning, hoe juist die ook mag zijn, zal op de wat meer geïnformeerde lezer een merkwaardige indruk maken. Toen Dick Houwaart in de jaren zestig en zeventig nog werkzaam was in de journalistiek, was hij een verklaard voorstander van Friedrich Weinreb, van wie in 1976 in een uitgebreid onderzoek door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie kwam vast te staan dat hij zich tijdens de Duitse bezetting aan ernstige misdaden schuldig had gemaakt. Houwaart noemde dit onderzoek destijds buitengewoon partijdig en zelfs ondeskundig. Hij heeft echter nooit de moeite genomen om serieus op het onderzoek in te gaan. Ook heeft Houwaart nooit verontschuldigingen aangeboden aan Weinrebs slachtoffers. Ik heb daar al eens over geschreven in mijn studie Onder een massa schijn bedolven

De vermaning die Houwaart gisteren op internet plaatste, maakt daarom een merkwaardige indruk. Hij lijkt zich geen ogenblik af te vragen wat zijn eigen manier van werken heeft betekend voor het aanzien van de journalistiek. Terugkijkend op de Weinreb-affaire valt bijvoorbeeld op dat het vooral (relatieve) buitenstaanders als Henriette Boas, Huib Drion, Willem Frederik Hermans en Abel Herzberg waren die Weinrebs bedrog doorzagen, terwijl gerenommeerde journalisten als Martin van Amerongen, Aad Nuis, Renate Rubinstein en Dick Houwaart zelf het voor deze oplichter bleven opnemen. 

Wat moet de lezer beginnen met Houwaarts kritiek op radio- en televisierubrieken, die Perdiep Ramesar zonder aarzelen uitnodigden voor zijn fantasieverhalen en zijn antecedenten niet na zijn gegaan? Toen het IKOR in 1970 na protesten aanvankelijk besloot om een film waarin Friedrich Weinreb zijn vrome praatjes mocht verkopen, niet uit te zenden, verdiende het IKOR-bestuur volgens Dick Houwaart een pak slaag. 

Wat moet er verder gedacht worden van Houwaarts vrees voor een lezing van Ramesar voor Kamerleden? Friedrich Weinreb had door de jaren heen opvallend veel sympathisanten die het in zowel de Eerste als de Tweede Kamer voor hem opnamen:  Fred Polak, I.A. Diepenhorst, Hans van Mierlo en Joop Voogd, om slechts enkele namen te noemen. Weinreb-verdediger Aad Nuis zou later zelfs staatssecretaris worden. De slachtoffers ontvingen beduidend minder steun aan het Binnenhof.

De kwestie Ramesar is een ernstige zaak, maar Dick Houwaart is wel de laatste die zich dik hoort te maken over schade aan de journalistiek en onheil aangericht door bedriegers. Dat kan beter worden overgelaten aan mensen die wel weten wat zelfkritiek inhoudt.

maandag 8 december 2014

Mythe of geen mythe?

Onlangs verscheen de bundel Moedige mensen, waarin medewerkers van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie schrijven over helden in oorlogstijd. De samenstellers Jaap Cohen en Hinke Piersma schrijven in hun inleiding dat in de eerste achttien jaar na de bevrijding een heroïsch beeld van Nederland in oorlogstijd dominant was. Pas in de jaren zestig zou dit beeld als een mythe worden ontluisterd. Deze visie op het aanvankelijke beeld van de bezetting lijkt de laatste jaren algemeen aanvaard door historici. Toch is er reden om aan te nemen dat de zaak genuanceerder ligt.

In 1967 werd de Cleveringa-lezing gehouden door Huib Drion. In deze lezing stond hij stil bij een niet lang daarvoor gepubliceerd opstel van weekbladredacteur Martin van Amerongen. Ik heb dit al eens aangestipt in mijn studie Onder een massa schijn bedolven. Van Amerongen beweerde dat Nederland zich niet heldhaftig tegen de bezetter had verzet en dat het heroïsche beeld van de oorlog berustte op een mythe. Drion verbaasde zich over het opstel en ook over de bijval die Van Amerongens stelling bij critici oogstte. Hij verklaarde dit uit een voorkeur voor het ontluisteren van mythes, een voorkeur die in de jaren zestig kennelijk in de mode was. 

Wat Drion ook merkwaardig vond aan Van Amerongens stelling was dat die een mythe poneerde die, voor zover hij wist, nooit had geleefd onder de degenen die de bezetting hadden meegemaakt: ‘Men kon het Nederlandse volk gedurende en na de Duitse bezetting veel verwijten, maar nu juist niet dat het zich zelf zo heroïsch vond.’ Als er tot in de jaren zestig een heroïsch beeld van de bezettingstijd dominant was geweest, hoe kon Drion dan in 1967 beweren dat een dergelijk beeld nooit had bestaan, hoogstens bij een ‘handjevol geëxalteerde warhoofden’, zoals hij het noemde? 

Jaap Cohen en Hinke Piersma onderbouwen hun stelling van het heroïsche beeld door te wijzen op enkele geschiedenis- en gedenkboeken uit de naoorlogse jaren. Dat het algemene beeld van de bezettingstijd in de jaren zestig kantelde, zou misschien in gang zijn gezet door de roman De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Dat boek viel volgens de samenstellers van Moedige mensen ‘als een steen in de vrijwel rimpelloze vijver van oorlogsliteratuur die tot dan toe was verschenen’. 

Cohen en Piersma rekenen niet alleen fictie tot die vijver en daarom valt er bij het gebruik van De donkere kamer van Damokles nog wel een kanttekening te plaatsen. De roman verscheen in 1958. Tussen 1947 en 1956 was er een parlementaire enquêtecommissie actief geweest die het regeringsbeleid tijdens de bezetting had onderzocht. Hermans was een verwoed lezer van de publicaties van deze commissie en gebruikte wat hij daarin las voor zijn roman. Ook dat heb ik in Onder een massa schijn bedolven behandeld. Uit de publicaties van de commissie bleek duidelijk dat Nederland zich tijdens de bezetting niet heldhaftig had gedragen. 

Een parlementaire enquête is een belangwekkende zaak die op veel aandacht van pers en publiek kan rekenen. Een vluchtige blik in het digitale krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek leert al dat de belangstelling voor de eerste publicatie van de commissie zo groot bleek, dat er vraag was naar een herdruk. Het lijkt ook niet aannemelijk dat de jarenlange berichtgeving over de enquête in de pers weinig of geen invloed zal hebben gehad op de verdere beeldvorming over de bezetting.

Ook in Moedige mensen wordt Ondergang, Jacques Pressers veelgelezen geschiedenis van de Jodenvervolging uit 1965, als een keerpunt in de beeldvorming over de bezetting gezien. Ook Presser verwijst echter voortdurend naar de parlementaire enquête in zijn boek. Dit roept de vraag op of de toon van Ondergang wellicht een belangrijkere oorzaak voor het enorme succes van dat boek is geweest dan de feitelijke inhoud die in 1965 misschien al veel bekender was dan nu vaak wordt verondersteld.

Hebben Cohen en Piersma gelijk en was het dominante beeld van Nederland in oorlogstijd tijdens de wederopbouw heroïsch? Of schuilt er meer waarheid in de bewering van Drion dat het Nederlandse volk zich tijdens en na de Duitse bezetting juist niet zo heroïsch vond? Het lijkt erop dat deze vragen nog niet zijn gesteld. Om ze te kunnen beantwoorden en de beeldvorming over de bezetting in de periode 1945-1965 te kunnen karakteriseren, is naar het zich laat aanzien nog verder onderzoek nodig. Hier ligt een schone taak voor de geschiedschrijving.